Hartfalen

Dinsdagnamiddag vanaf 13.45 u onder supervisie van Dr Griet Van Thielen.
Aanwezigheid van hartfalenverpleegkundige Mick De Brabandere.

Afspraken kunnen gemaakt worden via het secretariaat cardiologie.

Link naar brochure hartfalenraadpleging : Hartfalen2

Link naar brochure heilig hartziekenhuis

Brochure hartfalen_4b

Infobrochure over mechanische ondersteuning :
Biotronik – Hartinsufficiëntie-therapiesysteem

 

http://www.heartfailurematters.org/nl_NL/

  1. Wat is hartfalen?

1.1.         Normale werking van het hart

 

 

Het hart is een pomp die bestaat uit spierweefsel die het bloed naar de weefsels toe pompt en van de weefsels terug naar het hart. Er zijn 4 holten in het hart. 2 voorkamers of boezems en 2 kamers of ventrikels.

 

Het zuurstofarme bloed komt aan in de rechterboezem vanuit het lichaam. Van hieruit gaat het naar de rechter kamer waarna het naar de longen wordt gestuwd. Hier wordt het bloed voorzien van zuurstof en wordt koolzuurstof (afbraakproduct) afgegeven. Vanuit de longen komt het zuurstofrijke bloed dan in de linkerboezem en van hieruit in de linker kamer. Nu wordt het bloed naar de weefsels gestuurd via de grote slagader van het lichaam, de aorta.

De 4 hartkleppen zorgen ervoor dat het bloed slechts in 1 richting kan vloeien.

 

 

 

Het hart wordt op zichzelf aangedreven door elektrische impulsen die tot in elk deel van het hart worden doorgeleid door elektriciteitsdraadjes. De impuls vertrekt nabij de rechterboezem, vanuit de zogenaamde pacemaker (SA knoop) en gaat vandaar verder naar de AV- knoop. Hier wordt de impuls even vertraagd om dan verder te gaan naar de linker en rechter bundeltak. Wanneer de impuls hier aankomt, gaan de kamers samentrekken.

 

Om te kunnen werken moet de hartspier zelf ook bloed krijgen wat via 3 slagaders het hart bereikt. Deze slagaders noemen we kroonslagaders, kransslagaders of coronaire arteriën. Als de kransslagaders ziek zijn (= vernauwingen of verstoppingen vertonen) zal het hart dus mogelijks niet goed meer kunnen werken.

De pompfunctie en dus de hoeveelheid bloed die wordt rondgepompt kan men schatten door de ejectiefractie te meten. De ejectiefractie wordt uitgedrukt in procenten. Normaal zal het percentage rond 60% zijn in rust. Dit betekent dus dat als het hart zich bijvoorbeeld vult met 100ml bloed, er 60ml per slag zal worden uitgepompt. Het hart zal zich dus nooit volledig leegpompen. Bij een ejectiefractie onder 30% spreken we van ernstig     hartfalen.

 

 

Let op, hartfalen kan echter ook voorkomen met een normale ejectiefractie

 

1.2.         Hartfalen

Hartfalen is een ernstige aandoening waarbij het hart bloed niet zo goed door het lichaam pompt als normaal zou moeten. Dit betekent dat je bloed niet voldoende zuurstof en voedingsstoffen aan uw lichaam kan leveren, waardoor het niet normaal kan functioneren. Hartfalen ontstaat vaak doordat u een aandoening, zoals een aandoening aan de kransslagaders; een hartaanval of hoge bloeddruk heeft of heeft gehad, waardoor je hart beschadigd is of extra werd belast. Hartfalen kan op elke leeftijd ontstaan, maar de kans neemt duidelijk toe naarmate u ouder wordt. Ongeveer 1 % van de mensen jonger dan 65 jaar heeft hartfalen, maar bij mensen tussen 75 en 84 jaar lijdt 7 % aan hartfalen en dit percentage stijgt tot 15 % bij mensen ouder dan 85 jaar.

 

Eerst zal je lichaam zich aanpassen en onvoldoende pompvermogen van uw verzwakte hart proberen te compenseren. Je hart zal sneller slaan (tachycardie) om meer bloed door het lichaam te pompen, zal groter worden (dilatatie) door uit te rekken zodat het meer bloed kan verzamelen en rondpompen. Je lichaam zal proberen de hoeveelheid circulerend bloed te vergroten en de bloedstroom eerder naar je hersenen en andere vitale organen te leiden dan naar je spieren. Deze aanpassingen kunnen maar voor een beperkte tijd compensatie bieden en kunnen je hart op lange termijn zelfs verzwakken.

 

De twee belangrijkste types hartfalen zijn chronische en acuut hartfalen. Chronisch hartfalen komt vaker voor. De symptomen ontstaan langzaam en worden geleidelijk erger. Acuut hartfalen volgt op een hartaanval waarbij een deel van je hart beschadigd werd of, wat vaker het geval is, wordt veroorzaakt door het plotselinge onvermogen van het lichaam om chronisch hartfalen te compenseren.

 

 

1.3.         De symptomen van hartfalen

De symptomen van hartfalen kunnen sterk verschillen van persoon tot persoon, afhankelijk van het type hartfalen dat je hebt. Daarom kunnen alle of maar enkele van de onderstaande symptomen bij u optreden. In een vroeg stadium van ziekte is de kans klein dat u symptomen vertoont, maar naarmate uw hartfalen erger wordt, zal u waarschijnlijk symptomen opmerken en zullen deze ook verergeren.

 

De belangrijkste symptomen van hartfalen worden veroorzaakt door vochtophoping of stuwing en een verminderde bloedstroom door het lichaam. Deze symptomen zijn onder meer:

 

Kortademigheid wordt veroorzaakt door vochtophoping en stuwing in de longen. In de vroege stadia van hartfalen zal u enkel kortademigheid ervaren na een inspanning, maar naarmate uw hartfalen erger wordt, kan u zelfs in rusttoestand kortademig zijn. Als u ’ s nachts of overdag wanneer je gaat liggen kortademig bent, kan u enkele kussens gebruiken om meer rechtop te liggen. Als de symptomen blijven duren moet je behandeling worden aangepast.

 

Hoest of piepende ademhaling is gewoonlijk het gevolg van vochtophoping in de longen, maar kan ook te wijten zijn aan een longaandoening (zoals chronisch obstructief longlijden (COPD) of astma). Als u hoest of een piepende ademhaling heeft, zal je ondervinden dat u zich comfortabeler voelt wanneer je, net zoals bij kortademigheid, in liggende houding enkele kussens gebruikt of rechtop zit.

 

Het is heel normaal dat mensen met hartfalen snelle gewichtsschommelingen vertonen. Als uw lichaam juist vocht verliest (bv. Na gepaste behandeling), dan zal u minder wegen. Het is belangrijk dat je je vaak weegt en dat je arts of verpleegkundige inlicht als je in drie dagen tijd meer dan twee kilo verzwaard ben.

 

Gezwollen enkels. Vochtophoping kan zwelling (oedeem) veroorzaken, vooral van de enkels. Soms kan de zwelling zich naar je benen, dijen en buik uitbreiden. Het is mogelijk dat je arts of verpleegkundige je aanraad je niet te veel te drinken om zo de hoeveelheid vocht dat zich in je lichaam opstapelt te beperken. Hij/zij kan ook aanraden een extra plasmiddel (diureticum) te nemen.

 

Verlies van eetlust. Vochtophoping als gevolg van hartfalen kan heel je lichaam beïnvloeden. Bij sommige mensen hoopt zich vocht op in de lever en in het spijsverteringskanaal. Als dit het geval is, kan u zich vol en/of opgeblazen voelen. Daardoor kan u zich minder hongerig voelen. U kan proberen om vaker kleinere hoeveelheden te eten, zodat u minder gemakkelijk een vol of opgeblazen gevoel krijgt.

 

’s Nachts moeten plassen. Wanneer u ’ s nachts in bed ligt, kan het vocht dat zich tijdens de dag in je benen heeft opgehoopt, weer in je bloedbaan terecht komen en via je nieren als urine worden uitgescheiden. Je kan het aantal keren de je ’s nachts moet opstaan om te plassen beperken door voor het slapengaan naar het toilet te gaan en ’s avonds niet teveel te drinken. Het kan ook nuttig zijn je plasmiddel ’s ochtends in te nemen.

 

Depressie en angst. Mensen met hartfalen voelen zich zeer vaak depressief, ongerust of angstig. De symptomen van hartfalen kunnen je uitputten en prikkelbaar maken en deelname aan de normale sociale activiteiten verhinderen, waardoor je sociaal netwerk mogelijk beperkt wordt. Het is ook mogelijk dat je afhangt van de hulp van familie en vrienden, waardoor je misschien het gevoel krijgt dat je hen tot last bent.

 

 

Symptomen die verband houden met de beperkte bloedstroom naar delen van het lichaam zijn onder meer:

 

Vermoeidheid. Hartfalen vermindert het pompvermogen van je hart, waardoor minder bloed je spieren bereikt. Door dit tekort aan zuurstof en voedingsstoffen worden je spieren veel sneller moe. Matige lichaamsbeweging en training kunnen je symptomen helpen verbeteren. In tegenstelling tot wat veel mensen geloven, blijkt lichaamsbeweging heilzaam te zijn voor patiënten met hartfalen. Lichaamsbeweging vermindert stress en verhoogt je energiespiegel.

 

Duizeligheid. Hartfalen leidt tot een verminderde bloedtoevoer naar de rest van je lichaam. Als er minder bloed naar je hersenen stroomt dan gewoonlijk of als je bloeddruk laag is, kan je je duizelig boelen. Duizeligheid bij mensen met hartfalen wordt vaak veroorzaakt door hun medicatie. Duizeligheid kan echter ook te wijten zijn aan een onregelmatige hartslag, wat vaak voorkomt bij hartfalen, of een tijdelijke daling van de bloeddruk wanneer je vanuit zittende of liggende positie rechtop gaat staan (orthostatische hypotensie).

 

Snelle hartslag. Wanneer je hartfalen hebt, probeert je hart het gebrek aan pompkracht te compenseren door sneller te slaan (tachycardie) om dezelfde bloedstroom in je lichaam te behouden. Deze versnelde hartslag kan soms onregelmatig zijn en hartkloppingen veroorzaken. Dit voelt aan alsof je hart op hol slaat.

 

1.4.             Wat is de oorzaak van hartfalen?

 

Hartfalen kan veroorzaakt worden door vroegere of huidige aandoeningen die het hart beschadigd hebben of extra hebben belast. Als u meerdere van deze aandoeningen heeft (gehad), dan loopt u een aanzienlijk verhoogd risico om hartfalen te krijgen. De meest voorkomende oorzaken van hartfalen zijn onder meer:

 

Eerdere hartaanvallen. Hartaanvallen zijn de mees voorkomende oorzaak van hartfalen.

Andere mogelijke oorzaken zijn:

  • Aandoeningen van de kransslagaders
  • Hoge bloeddruk
  • Aandoeningen van de hartklep of van de hartspier, ontsteking van het hart en aangeboren hartafwijkingen.
  • Long-, nier- en andere aandoeningen

1.5.         Gangbare onderzoeken voor hartfalen

Om de diagnose van hartfalen te stellen zal de arts eerst een grondige ondervraging (anamnese) doen. Daarna kunnen nog verschillende bijkomende onderzoeken gedaan worden. Hiermee kan de arts ook de ernst van hartfalen proberen vast te stellen.

 

De arts zal:

  • Een anamnese en een risicoprofiel opstellen.
  • Een klinisch onderzoek doen: de onderbenen en de enkels nazien of er geen vocht zit. Hij zal ook aan de buik en de lever voelen of deze niet zijn opgezet. Hij zal ook naar de hals kijken of er geen stuwing is van de halsvaten; dit om ophoping van vocht en onrechtstreeks de druk in de hartkamers te kunnen vaststellen.
  • Naar hart en longen luisteren: naar de longen om eventuele longproblemen vast te stellen, en naar het hart om de hartslag en de hartkleppen te controleren.

 

De meest gangbare onderzoeken om hartfalen vast te stellen, zijn:

 

–          Medische voorgeschiedenis –          Lichamelijk onderzoek –          Elektrocardiogram of ECG–          Bloedonderzoeken

–          Röntgenfoto van de borstkas

–          Echo van het hart (echocardiogram)


 

2.  Behandeling

2.1.              Medicatie voor hartfalen

De geneesmiddelen zullen uw hart ondersteunen en het werk van het hart verlichten. De klachten van moeheid, kortademigheid en vochtopstapeling zullen verbeteren en ze zullen u langer laten leven.

De dosissen van de meeste medicaties worden geleidelijk verhoogd over verloop van meerdere weken (vaak onder controle van de huisarts).

 

Aanpassingen zijn dus geen teken dat het slechter met uw hart gaat, maar zijn een onderdeel van de normale behandeling.

tijdelijke neveneffecten zoals duizeligheid of vermoeidheid moet u aanvaarden daar deze meestal vanzelf overgaan. Een lage bloeddruk kan in de meeste gevallen geen kwaad en is dus meestal geen reden om de medicatie te stoppen.

 

Het is bij hartfalen steeds noodzakelijk om meerdere soorten geneesmiddelen gelijktijdig in te nemen.

 

Hieronder vindt u verschillende soorten medicatie die kunnen gegeven worden:

 

  • Bétablokkers: Emconcor® (Bisoprolol), Kredex® (Carvedilol), Seloken® (Metoprolol),Selozok®, Nobiten® (Nebivolol) … .

Werking:

Vertragen de hartslag en gaan een aantal nadelige hormonale reflexen geïnduceerd door hartfalen doen verminderen zodat het hart efficiënter pompt. Vooral in het begin van de behandeling kan u last hebben van duizeligheid, koude handen en voeten, vermoeidheid en een verlaagde bloeddruk. Daarom zal de dosis van dit medicament geleidelijk aan worden opgedreven zodat het lichaam de tijd krijgt om zich aan te passen aan de verlaagde bloeddruk.

 

 

  • ACE- remmers: Coversyl® (Perindopril), Capoten® (Captopril), Tritace® (Ramipril), Renitec® (Enalapril), Accupril® (Quinapril), … .

Werking:

Verlagen de bloeddruk door de bloedvaten te verwijden, verminderen  een aantal   nadelige hormonale reflexen geïnduceerd door hartfalen, verminderen ook de vergroting van het hart zodat het hart efficiënter kan samentrekken. Door de verlaagde bloeddruk kan er tijdelijk duizeligheid ontstaan, die op zich geen reden is om de medicatie te stoppen. Soms kan men een prikkelhoest hebben of de nierfunctie kan achteruitgaan. De dosis van dit medicament zal geleidelijk worden opgedreven onder controle

 

 

  • Aldosterone-antagonisten: Aldactone® (Spironolactone).

Werking:

Drijven een beetje vocht af en vertragen de evolutie van hartfalen vooral door een aantal nadelige hormonale reflexen geïnduceerd door hartfalen te doen verminderen. Hierbij is enige aandacht vereist. Uw huisarts zal regelmatig de zouten in het bloed moeten controleren, vooral in het begin van de behandeling, indien u buikgriep hebt of als uw nierfunctie zou verslechteren. In zeldzame gevallen kunnen mannen van dit medicament pijnlijke borsten krijgen.

 

  • Angiotensine- II receptorblokkers: Cozaar® en Loortan® (Losartan), Atacand® (Candesartan), Diovane® (Valsartan), Belsar® en Olmetec® (Olmesartan), Micardis® (Telmisartan), Aprovel® (Irbesartan).

Werking:

Dezelfde werking als de ACE- remmers maar ze zijn iets duurder en worden dus gegeven indien ACE- remmers niet worden verdragen en in zeldzame gevallen in combinatie met ACE- remmers.

 

 

  • Diuretica: Lasix®, Burinex®, Furosemide EG®, … .

Werking:

Verwijderen het overtollig vocht uit het lichaam en worden ook plasmedicatie genoemd. Enkele bijwerkingen zijn een droge mond, huiduitslag en spierkrampen (voornamelijk in de benen). Belangrijk is echter dat u moet inzien dat deze pillen u wel beter doen voelen, maar u niet langer doen leven. Ze zijn in feite een “falen” van het beleid omdat de patiënt zich niet voldoende houdt aan een strikt zout- en vochtarm dieet. De bloeddruk zakt vaak door deze plasmedicatie zodat de aanbevolen dosis van de bétablokkers en ACE- inhibitoren niet kan ingenomen worden hoewel juist deze medicatie essentieel is om uw hart te laten genezen.

 

 

  • Nitraten: Cedocard® (Isosorbidenitraat), Nitrolingual®, Nitro-pleister®.

Werking:

Openen de kransslagaders en de aders in het lichaam waardoor het hart meer zuurstof kan krijgen en het hart minder hard moet pompen. De meest voorkomende bijwerkingen zijn duizeligheid, hoofdpijn, snelle polsslag, misselijkheid en lage bloeddruk.

Deze worden vooral gegeven als ACE- inhibitoren en bétablokkers onvoldoende effect hebben.

 

 

  • Hydralazine: Nepresol®.

 

Werking:

Een vaatverwijder, dit wil zeggen opent de perifere bloedvaten zodat het hart tegen minder weerstand moet pompen.

Dit medicament wordt wel best aangemaakt door de apotheek, want het merkproduct Nepresol® kost veel meer dan Hydralazine gemaakt door de apotheker waarvan u 3 tot 4 keer per dag een tablet moet innemen.

Dit is uiteraard veel, maar het zal uw hartfunctie zeker ten goede komen. De meest voorkomende bijwerking is duizeligheid.

Dit medicament wordt eveneens gegeven als ACE- inhibitoren en bétablokkers onvoldoende effect hebben.

 

 

  • Digitalis preparaten: Lanoxin®, Digoxin®.

Werking:

Dit is hartversterkende medicatie en is vooral aangewezen bij patiënten die een onregelmatig hartritme hebben (= voorkamerfibrillatie) en hartfalen. Bijwerkingen kunnen zijn: misselijkheid, verwardheid, te langzame hartslag, en wazig zicht of slecht zien.

Regelmatig bloedonderzoek om de hoeveelheid geneesmiddel in het bloed te bepalen is noodzakelijk om overdosering te voorkomen.

 

 

  • Anti-arrhytmica: Cordarone® (Amiodarone), Sotalex® (Sotalol).

Werking:

Tegen ritmestoornissen, ze beïnvloeden de prikkelgeleiding in het hart. De arts zal het gebruik van deze medicatie zo veel mogelijk proberen te vermijden omwille van de mogelijke bijwerkingen zoals overgevoeligheid voor zonlicht, schildklierproblemen en, eerder zelden, longproblemen in het geval van Cordarone®.

Het is noodzakelijk om steeds zonneprotectie met hoge factor te gebruiken, zelfs als er maar weinig zon is.

 

  • Anticoagulantia: Marcoumar®, Sintrom®, Marevan®. Werking:

Voorkomen de vorming van bloedklonters. In geval van onverklaarbare blauwe plekken moet u uw arts raadplegen. Regelmatige bloedcontroles zijn aangewezen om de dikte van het bloed te controleren. Bij een operatieve ingreep of tandheelkunde zal deze medicatie voorafgaandelijk vaak gestopt worden (5-7 dagen op voorhand) en zal worden overgeschakeld op een andere bloedverdunner die in spuitjes wordt gegeven in de buikwand (Clexane®, Fraxiparine®, Fraxodi®).

 

 

  • Bloedplaatjes-aggretatieremmers: Cardio Aspirine® en Asaflow® (Acetylsalicylzuur), Plavix® (Clopidogrel), Ticlid® (Ticlopidine).

Werking:

Soort van bloedverdunners, ze stoppen de klontering van het bloed door het samenkleven van bloedplaatjes af te remmen. Aspirine® dient in regel levenslang genomen te worden na een probleem met de kroonslagaders terwijl Plavix® of Ticlid® meestal slechts tijdelijk (1-12 maanden) na plaatsen van een stent dient genomen te worden.

Belangrijk is dat zij best met wat voeding worden ingenomen. Bijwerkingen kunnen buikpijn en brandend maagzuur zijn, maar ze worden in de regel zeer goed verdragen.

 

 

  • Cholesterolverlagers: Zocor® en Cholemed® (Simvastatine), Lipitor® (Atorvastatine), Prareduct® (Pravastatine), Crestor® (Rosuvastatine), … .

Werking:

Zullen de cholesterol (= vetgehalte in het bloed) verlagen en hebben een beschermende werking op de bloedvatwand. De belangrijkste bijwerkingen zijn spierkrampen, diarree en misselijkheid. Ze worden ook vaak gegeven bij mensen met een normaal cholesterolgehalte en dit om hun beschermend effect op de bloedvatwand.

 

2.2.              Verboden medicatie

 

De volgende medicamenten mogen nooit zonder overleg met uw cardioloog worden ingenomen:

Niet-steroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen (=NSAID). Voorbeelden hiervan zijn Brufen®, Voltaren®, Nurofen®, Apranax®, Brexine®, Feldene®, Celebrex® … .

Ze kunnen hartfalen verergeren door vocht bij te houden en ernstige nierbeschadiging te veroorzaken in combinatie met medicatie die noodzakelijk is voor uw behandeling.

Paracetamol (Dafalgan®, Perdolan®) als pijnmedicatie is wel toegelaten. Liefst geen bruistabletten nemen omdat deze veel zout bevatten. Zo zal Dafalgan forte® meer dan 1 gram zout per tablet bevatten.

Vele neurologische medicamenten zoals voor de ziekte van Parkinson dienen ook met grote omzichtigheid te worden gebruikt daar ze hartritmestoornissen in de hand kunnen werken en een verergering van hartfalen kunnen induceren.

Uw cardioloog, neuroloog en uw huisarts kunnen u hierbij helpen.

2.3.         Operatie

Bij vernauwingen van de kransslagaders of bepaalde problemen van de hartkleppen kan men beslissen om een operatie uit te voeren. Vaak is hiermee de oorzaak van hartfalen dan opgelost en zal u minder last hebben. Uw cardioloog zal nadien controleren of het hartfalen hierdoor is opgelost. Indien u genezen wordt verklaard, blijven wij echter toch hameren op een gezonde levensstijl om in de toekomst een optimale bescherming van uw hart te garanderen. Meestal hoort hier ook medicatie bij.

De meest uitgevoerde operaties zijn:

Overbruggingen of CABG

Men gebruikt een ader vanuit de benen of vanuit de borstkas om deze aan te sluiten op het netwerk van de kransslagaders. De ader wordt net voorbij de vernauwing van de kransslagader gezet, zodat het hart weer goed wordt bevloeid.

Klepvervangingen of -herstellingen

Naargelang welke klep en welke aandoening van de klep kan men overwegen om een klep te vervangen of om de klep te herstellen. De kleppen die het meest worden geopereerd zijn de mitralisklep (tussen de linker boezem en de linker kamer), de aortaklep (tussen de linker kamer en de aorta) en de tricuspidalisklep (tussen de rechter boezem en de rechter kamer). Na zulke klepoperaties is het soms noodzakelijk om sterke bloedverdunners te nemen.

 

2.4.         Katheterisatie

Bij eventuele vernauwingen van de kransslagaders, kan de arts overwegen om deze terug te openen tijdens een katheterisatie. De vernauwing wordt opengeblazen door een afgelaten ballonnetje op de plaats van de vernauwing te brengen en daar op te blazen zodat de vernauwing terug open gaat.

Indien   nodig   kan   de   arts   een   stent (= veer) achterlaten en dit gebeurt op dezelfde wijze als een ballondilatatie. Het veertje wordt gesloten opgeschoven tot aan de vernauwing en wordt daar opengevouwen zodat de vernauwing terug open gaat en het veertje achterblijft in de kransslagader. Hiervoor is het noodzakelijk dat men gedurende een aantal maanden extra bloedverdunners neemt zodat er zich geen klonter vormt ter hoogte van de stent.

2.5.             Devices: pacemaker/ defibrillator/ CRT

 

  • Een pacemaker wordt geplaatst bij een te trage hartslag en doet het hartritme kunstmatig verhogen. Een gewone pacemaker wordt ingeplant onder het sleutelbeen. Vanaf hier lopen 1 of 2 elektrische draden via een ader naar het hart: 1 loopt naar de rechter voorkamer. Het 2de draadje loopt naar de rechter kamer. Na het plaatsen van een pacemaker mag u volgens de wet 1 maand niet met een auto rijden.

 

  • Aan een pacemaker kan ook een defibrillator- functie worden gekoppeld die wordt geplaatst in geval van een te snelle hartslag. Sommige hartfalenpatiënten hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van zeer snelle hartritmestoornissen die tot bewustzijnsverlies of de dood kunnen leiden. De defibrillator zal continu het hartritme bekijken, analyseren en eventueel een zeer snel hartritme corrigeren met een behandeling of elektrische schok indien nodig. Na het plaatsen van een defibrillator mag u volgens de wet 6 maanden niet met een auto rijden.

 

  • Een CRT pacemaker is een pacemaker met de normale 2 draden die naar de rechter voorkamer en de rechter kamer lopen en er loopt ook nog een draadje naar de linker kant van het hart. Deze wordt geplaatst in geval van een te zwakke hartslag. Hiermee kunnen de beide kamers van het hart tegelijkertijd worden gestimuleerd. Ook deze pacemaker kan worden gecombineerd met een defibrillator- functie.

Indien één van deze toestellen voor u van toepassing blijkt, zullen wij u graag meer informatie geven over de toestellen en een brochure beschikbaar stellen.

2.6.         Revalidatie

Om u hierbij te helpen bestaat er een revalidatie- programma onder begeleiding van de dienst cardiologie en de arts zal beslissen of dit nuttig voor u is. U mag er echter ook steeds zelf naar vragen.

Onder begeleiding van kinesitherapeuten en artsen zal men u helpen om in groep uw inspanningscapaciteit progressief terg te verhogen en u leren om beter om te gaan met uw fysieke beperkingen.

Het gaat hier om gematigde fysieke activiteiten (wandelen, fietsen, trappen lopen, …) op ieders maat en onder controle van de hartslag.

3.  Levensstijl

3.1. Gezonde voeding

  1. water
  2. graanproducten en aardappelen
  3. groenten
  4. fruit
  5. melkproducten
  6. vlees, vis en vervangproducten
  7. smeer-en bereidingsvet

Vermijd maaltijden met veel verzadigde vetzuren (vetten van dierlijke oorsprong). Zij verhogen het cholesterolgehalte in het bloed en dus ook de kans op hart- en vaatziekten. Onverzadigde vetzuren echter verlagen het cholesterolgehalte. Alle soorten olie, dieetmargarine en dieetvormen van bak- en braadvetten zijn er rijk aan. U bereikt een evenwichtige voedingsbalans door dierlijke vetten te vervangen door plantaardige vetten zoals oliën, en door meer fruit en groenten te eten.

De voedingspiramide geeft aan hoe u gezond kan eten. Wat onderaan de piramide staat zijn de basis bestanddelen van gezonde voeding. Naarmate men hoger op de piramide klimt, moet men er minder van eten. Het witte gedeelte bovenop de piramide stelt restvoeding voor. Dit is een fractie van voeding die we eigenlijk niet nodig hebben. Het gaat hier om chips, koekjes, snoep… .

Een diëtiste kan u meer info geven en u helpen bij het uitbouwen van gezonde voedingsgewoontes.

 

 

3.2. Vocht

 

De richtlijn voor vochtbeperking is maximum 1,5 liter (= 1500ml) per dag.

 

Hoe kan u het vocht tellen dat u binnenkrijgt?

 

U meet hoeveel er in een glas zit en telt in de loop van de dag het aantal glazen dat u drinkt.

U krijgt ook heel wat vocht “stiekem” binnen met uw voeding. Soep, yoghurt, appelmoes … . Dit dient u mee te tellen als vocht.

Fruit bevat ook heel wat vocht. Toch moet u 1 por- tie fruit (= 2 stukken) niet meetellen als vocht. Als u toch meer fruit eet telt u best 100ml per portie.

 

Enkele tips om gemakkelijker met minder vocht door de dag te komen

 

  • Verdeel het drinken over de dag en hou nog wat

over voor ‘s avonds.

  • Gebruik kleine kopjes en glazen. Drink hete dranken, hiervan nipt u langer dan van koude of lauwe dranken
  • Neem uw medicijnen in bij de maaltijd en niet apart met een glas water.

 

  • Smeerbaar beleg zoals smeerkaas, leverpastei, jam enzovoort maakt een broodmaaltijd minder droog dan een droog beleg.
  • Als u dorst heeft, probeer dan eens op een ijsblokje te zuigen. Ook citroensap in thee, water of limonade kan de dorst lessen.

 

Er zijn enkele uitzonderingen wanneer u toch wat meer vocht mag innemen

  • Bij heel warme dagen wanneer u meer transpireert.
  • Bij aanhoudende diarree of braken

 

 

3.3.         Zout

Zout wordt al bij de eerste tekenen van hartfalen een echte boosdoener. Het natrium in het zout houdt vocht vast en maakt de vochtophopingen in het lichaam mogelijk.

 

De richtlijn voor zoutbeperking is maximum 2-3 gram zout per dag.
 

 

2-3   gram   zout   per   dag   is   zeer   weinig.   Een gemiddeld dieet bevat meer dan 10g zout, meestal als toegevoegd voedingsbestanddeel in klaargemaakte bereidingen.

Alle producten die u kan kopen, behalve verse groenten en vers fruit, bevatten veel toegevoegd zout en het is daarom absoluut verboden dat u extra zout toevoegt. Indien u gezond eet, zal u reeds ± 6g zout per dag nuttigen. Het is dus noodzakelijk om extra maatregelen te nemen.

 

Hiervoor kunnen we enkele tips geven:

 

  • Voeg geen zout toe bij de bereiding van warme maaltijd, soep en alles wat u zelf klaarmaakt in de keuken.
  • Gebruik niet meer dan twee plakken kaas of vleeswaren per dag, of koop zoutarme soorten.
  • Eet nooit bewerkte producten die toegevoegd zout bevatten. Enkele voorbeelden hiervan zijn kant-en-klare (diepvries)producten, soep of saus uit een pakje of in blik, tomatensap, kruidenmengsels voor vlees, bouillon en snacks!
  • Beperk restaurantbezoeken of vraag steeds naar gerechten zonder zout bereid.
  • Eet zoutloos of tenminste zoutarm brood.

 

Door het vele zoutgebruik in onze keuken zijn we allemaal een beetje verslaafd aan de smaak van zout. Het zal dus enkele weken duren voordat u weer met wat smaak eet. U kan natuurlijk ook andere kruiden gebruiken om uw eten op smaak te brengen.

 

Indien u verdere vragen heeft over het volgen van een zoutarm dieet zullen wij u indien gewenst verder doorverwijzen naar een diëtiste en dit is ook een onderdeel van het revalidatieprogramma.

 

3.4.         Gewicht

In het kader van vocht- en zoutbeperking is het belangrijk zich elke dag ’s ochtends te   wegen.

 

 

Hoe zwaarder u bent, hoe meer u uw reeds vermoeide hart zal belasten en overbelasten. Daarom is het ook noodzakelijk dat u een normaal gewicht nastreeft. Het ideale gewicht is voor iedereen verschillend. Afhankelijk van uw lengte zal dit voor iedereen verschillen. Het ideale gewicht wordt berekend volgens de Body Mass Index (BMI index)

 

Om de BMI te bepalen is volgende berekening nodig. BMI = het lichaamsgewicht (in kg) gedeeld door de lichaamslengte (in m) in het kwadraat.

 

voorbeeld: Iemand die 70kg weegt en een lengte heeft van 1,60m heeft een BMI van 70 : (1,60)² = 27,34

 

BMI waarden  Onder 18,5: ondergewichtTussen 18,5 en 24,9: normaal gewicht

Tussen 25 en 29,9: overgewicht

Tussen 30 en 39,9: zwaarlijvigheid (obesitas)

Boven 40: ernstige zwaarlijvigheid

 

Als de BMI waarde boven 30 is, is er een ernstig verhoogde kans op ontwikkeling van diabetes, hartaandoeningen, rugklachten … .

Vermageren is dan ten zeerste aangeraden.

 

Indien u vragen heeft om gezond te vermageren kunnen wij u steeds verwijzen naar een diëtiste. Neem in geen geval op eigen initiatief of zonder begeleiding vermageringspillen en begin nooit zelf een doorgedreven dieet.

3.5.         Roken

 

Roken is één van de belangrijkste risicofactoren om (opnieuw) een hartinfarct te krijgen. De tabaksrook tast de vaatwand aan, zodat er vernauwingen in de bloedvaten ontstaan en verdringt de zuurstof in het bloed, waardoor het hart en de rest van het lichaam te weinig zuurstof krijgen.

Passief roken heeft dezelfde schadelijke effecten; dus als u zelf niet rookt, maar uw partner wel, zeg hem / haar dan vanaf nu buiten te roken of nog beter te stoppen.

Als u een jaar gestopt bent met roken is de kans op een hartinfarct weer de helft kleiner.

 

Stoppen met roken kan u enkel als u ervan overtuigd bent dat u moet stoppen. Er bestaan ook heel wat ondersteunende middelen zoals medicatie, nicotinepleisters, rookstop consultaties.

3.6.         Alcoholgebruik

 

Alcohol kan de kracht waarmee het hart samentrekt, verlagen. Alcohol is toxisch voor het hart en kan hartfalen verder in de hand werken alsook gevaarlijke en ongevaarlijke ritmestoornissen uitlokken. U moet het gebruik ervan dus beperken. Indien u een ritmestoornis heeft gehad, kan u beter 6 maanden geen alcohol meer gebruiken. Daarna mag u terug zeer gematigd alcohol gebruiken in overleg met uw cardioloog. Indien u een voorgeschiedenis heeft van alcoholisme dan is alcohol natuurlijk volledig uit den boze.

 

3.7.         Rijgeschiktheid

Bespreek met uw arts of u nog veilig achter het stuur kan. Het gaat niet enkel om uzelf, maar ook om de andere mensen in het verkeer die in een ongeluk kunnen betrokken raken. Denk er aan dat het openbaar vervoer een veilig alternatief kan bieden. Indien u een pacemaker/ defibrillator of een CRT- pacemaker/ defibrillator ingeplant krijgt bestaan er wettelijke termijnen waarin u niet meer met de wagen mag rijden. Indien één van deze apparaten voor u van toepassing is, zullen wij u inlichten over de wetgeving.

3.8.         Seksuele activiteit

Door de ziekte/hartfalen of door de medicatie kan het zijn dat de seksuele activiteit achteruitgaat. Gebruik van Viagra (Sildanefil) dient best met uw arts te worden overlegd. Seksuele activiteit is te vergelijken met een normale inspanning en is dus niet gevaarlijk. Voor de meeste personen blijkt de energie die nodig is voor deze inspanning vergelijkbaar met het klimmen van twee verdiepingen. Voelt u zich kortademig of voelt u pijn of hartkloppingen? Dan kan u beter stoppen en het gebeuren melden aan uw arts.

 

3.9.         Vaccinaties

 

U bent als hartpatiënt gevoeliger voor infecties. Daarom raden wij u aan om ook de seizoensgebonden vaccinaties te laten zetten. Zoals het griepvaccin (jaarlijks) en het pneumokokkenvaccin om de 3-5 jaar.

4.  Wanneer uw arts contacteren?

 

Zolang uw hartfalen onder controle is en er zijn geen verergeringen of veranderingen in de symptomen van uw hartfalen, dan volstaan de vooropgestelde controles bij uw arts.

Indien één of meerdere van de volgende klachten ontstaan of verergeren moet u uw huisarts, cardioloog verwittigen

 

 

Deze symptomen kunnen er op wijzen dat de toestand van uw hart negatief evolueert.

Als u tijdig contact opneemt, kan een eventuele dreigende verergering van uw hartzwakte voorkomen worden.